LEX FORI INTERNATIONAL LAWYERS
THE PLACE FOR INTERNATIONAL LAW

BELGIAN LAW

An article in Dutch on the concept personality under belgian law by one of our belgian lawyers.

FORUMARTIKEL

PERSONALITEIT IN HET RECHT

Een historische rondblik in maatschappelijk perspectief
Jo Vanbelle

Individualism is a fatal poison. But individuality is the salt of common life.

Henry van Dyke (1852-1933), The School of Life.

TEN GELEIDE

I. De hierna volgende uiteenzetting wil (enkel) aanzetten tot reflexie en reactie. Ze is immers bedoeld als forumartikel. Forumartikelen hebben de bedoeling een algemene context aan te bieden, verrijkt met enkele interessante vraagstellingen en probleemgevallen. Zij willen de lezer voldoende "denkstof" aanbieden. Dat is ook de ratio die bij de lectuur van dit artikel steeds voor ogen moet worden gehouden. Deze tekst wil immers -slechts- een historische rondblik in een maatschappelijk perspectief bieden.

II. De auteur is er zich dan ook ter dege van bewust dat hij met een beknopte tekst als deze niet aan alle rechtshistorische en rechtsfilosofische betrachtingen en opmerkingen zal kunnen beantwoord hebben. Men zal de auteur tegenwerpen dat hij op bepaalde punten ongenuan-ceerd en oppervlakkig is gebleven. Dat is juist. De materie die dit artikel oprakelt, biedt stof genoeg voor een lijvig boek terzake. Misschien kan dit forumartikel daartoe mee een aanzet zijn...

HOOFDSTUK I : PERSONALITEIT ALS PARADIGMA

1. Personaliteit als paradigma van het moderne recht

1. Het principe van personaliteit is een essentieel kenmerk van elk ontwikkeld en modern rechtsstelsel. Het beginsel dat het recht zich richt tot individuen, tot zelfstandige subjecten en niet tot groepen, is voor een jurist niet meer dan vanzelfsprekend. Traditioneel wordt dan de innerlijke beperktheid van het rechtssysteem aangehaald om de individualiserende aanpak van het recht te rechtvaardigen : het recht is zo gemaakt dat het niet met meer dan een persoon tegelijk om kan. Elkeen is dus een geval apart.

2. Dat blijkt vooreerst uit de dogmatiek van ons strafrecht. Het onderzoek naar de strafbaarstelling en de straftoemeting gebeurt voor elke verdachte afzonderlijk, en dat kan ook niet anders. Immers, bij het onderzoek naar de strafbaarheid van een persoon, moeten niet alleen vragen worden beantwoord in verband met de objectieve strafbaarheid van een bepaalde daad. Ook subjectieve elementen zoals strafrechtelijke schuld en strafwaardigheid zijn van even groot belang. Deze elementen kunnen, uit hunaard zelf, slechts geval per geval worden bekeken. Zo zal een straf als dusdanig niet worden opgelegd als de dader zich in een bepaalde staat van geestesgestoordheid bevindt of te jong is voor bestraffing. De sanctie zal in zulke gevallen bestaan in andere (beveiligings)maatregelen, elk met hun eigen specifieke -en per definitie subjectieve- toepassingsvoorwaarden.

In een alternatieve stelling wordt daarentegen beweerd dat de strafbaarstelling precies individu-overstijgend is omdat strafwetten in algemene termen geformuleerd zijn: zij maken geen onderscheid tussen individuen. Al wie aan de strafbaarstelling voldoet, is strafbaar met de bij de wet bepaalde straf. Echter, zulke stellingname kan al eenvoudig worden weerlegd door de vaststelling dat de kwestie of iemand krachtens een -weliswaar in algemene termen geformuleerde- strafwet strafbaar is, een geindividualiseerde vraag betreft, namelijk ben ik strafbaar of niet?

3. Het personele karakter van ons recht laat zich ook -zij het in mindere mate- gevoelen in de gerechtelijke organisatie. De materiele bevoegdheid van onze rechtscolleges wordt soms -en in bepaalde gevallen zelfs uitsluitend- bepaald op basis van de karakteristieken van de rechtszoekende. Gaat het om handelaars, dan zullen zij zich tot de rechtbank van koophandel moeten wenden. Is men werkgever en heeft men een conflict met een werknemer, dan zal de arbeidsrechtbank zich over de zaak uitspreken. Ismen ambtenaar, dan zal een of ander administratief rechtscollege zich met het probleem inlaten. Kortom, de (beroeps)kwalificatie van de individuele rechtszoekende duidt in een aantal gevallen de bevoegde rechter aan.

4. Uit de twee voormelde voorbeelden moge al enigszins blijken dat de rol van de personaliteit in ons recht groot is en zelfs groter dan meestal wordt vermoed. Het personaliteitsbeginsel is derhalve niet uitsluitend een beginsel dat individuen beschermt tegen een willekeurige overheid, namelijk door alle bestraffing, door elke rechtsregel individueel te maken en zodoende ervoor te zorgen dat men -in principe- nooit hoeft op te draaien voor de daad van iemand anders. De personaliteit in ons recht is dus niet uitgevonden na de Franse Revolutie als reactie op de schandelijke praktijken tijdens het Ancien Regime.

Inderdaad, klassiek is de opvatting die stelt dat het principe van personaliteit Verlicht is, dat het dateert uit de roemruchte Franse Revolutie die komaf wilde maken met collectieve bestraffingen zonder een individueel onderzoek naar de strafbaarheid van de leden van dat collectivum. Zulke strekking laat uitschijnen dat voor de Revolutie een ander beginsel regeerde en dat daarna het principe van personaliteit werd aangehangen, als reactie op het eerste. Welnu, deze opvatting is op zijn minst ongenuanceerd, wellicht zelfs verkeerd. De personaliteit in ons recht is niet meer dan de logische verderzetting van een historisch gegeven. Een individuele aanpak is derhalve niet uitsluitend een kenmerk van een postrevolutionair rechtsstelsel, het is een merkwaardig verschijnsel doorheen de geschiedenis van het recht (infra nr. 13 e.v.).

2. Personaliteit als maatschappelijk paradigma

5. Misschien kunnen wij uit wat voorafgaat vermoeden dat een individualiserende benadering niet alleen een kenmerk is van ons recht, maar van onszelf. Misschien zijn wij zelf ook individualiserend ingesteld en kunnen wij niet goed om met groepen. Misschien werkt ons intellect zodanig dat we, bij een pluraliteit aan gevallen, elk geval afzonderlijk moeten bekijken om het te kunnen begrijpen. In elk geval biedt het dagelijkse leven ons voldoende voorbeelden aan waaruit we kunnen vermoeden dat het beginsel van personaliteit, van subjectiviteit, niet alleen een juridisch leidmotief is, maar veeleer deel uitmaakt van het cardiogram van onze samenleving.

6. Het is opvallend hoe elke samenlevingsvorm zichzelf uiteindelijk reduceert tot een collectief individu: de maatschappij is een samen-leving van geindividualiseerde subjecten. Elke geborene is een persoon, met een eigen, nauwkeurig geregistreerde identiteit. Op basis van die geidentificeerde subjectiviteit wordt de persoon gedurende zijn ganse leven (en zelfs erna) benaderd, en niet alleen door het recht. Specialisten marketing weten te vertellen dat een geslaagde reclamecampagne afhangt van het viseren en accentueren van de meest onderscheiden subjectieve factoren : geslacht, leeftijd, sociaal milieu, gezinstoestand, rijkdom, enz. De marketeer weet ons dus te zeggen waarop we moeten letten als we een exclusief parfum of een vulgariserend weekblad op de markt willen brengen. Psychologen beschrijven ons welke individuen op zijn minst merkwaardig zijn, voor wie we ons desgevallend moeten hoeden en hoe we ons tegenover een dergelijk iemand moeten gedragen. De psycholoog toont ons de foto van het individu met een post-traumatische stress-stoornis, met psycho-somatische klachten, enz. De intellectueel omschrijft voor ons de cultuurkenner, de imbeciel, de yuppie, de sympathiekeling, de hatelijke. Kortom, op de meest diverse domeinen worden checklists opgesteld die moeten toelaten om eenieder constant te kwalificeren en derhalve elke persoon op elk moment te onderscheiden van anderen. Elke persoon is dus voortdurend een individu tussen andere individuen, elkeen is constant alleen in groep.

7. Deze individualisering strekt zich, zoals gezegd, uit over de meest diverse sectoren van onze samenleving. Er wordt constant over gepraat, geschreven en gelezen. Het wordt constant gedaan. Deze aflijning van het ene subject door en tegenover het andere, lijkt derhalve noodzakelijk te zijn. Samen-leven is inderdaad pas mogelijk als mensen zich op een bepaalde wijze tegenover elkaar gedragen. Om sociaal gedrag te kunnen stellen, om de andere te kunnen benaderen en ermee om te gaan, moet men eerst weten wie hij is. Men moet het andere subject objectiveren, observeren en pas daarna reageren. Een omkering van deze volgorde levert weinig op.

Als wij dan zelf -vaak noodzakelijkerwijze- zo individualiserend ingesteld zijn, hoeft het ons niet te verbazen dat ons recht ook zo is. Ons recht weerspiegelt immers slechts onze samenleving en de ideeen en praktijken die erin gedijen. De rechtssubjectiviteit, het personaliteitsprincipe in het recht, vertegenwoordigt derhalve slechts een aspect van een meer omvattende, maatschappelijke werkelijkheid.

Bovendien helpen de diverse deelverzamelingen elkaar en samen versterken ze hetgeen zich in de doorsnede bevindt. Zo zal de juridische personaliteit er vaak toe bijdragen dat de personaliserende activiteit in andere sectoren en domeinen van de samenleving wordt geaccepteerd, gegenereerd of geaccentueerd. Denken we aan diverse internationale mensen-rechtenverdragen, bijvoorbeeld de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in haar zesde artikel stipuleert dat een ieder het recht heeft, waar hij zich ook bevindt, om als persoon erkend te worden door de wet. Deze Verklaring geeft de rechtssubjectiviteit derhalve een algemene draagwijdte. De individualiserende activiteit van het recht wordt zo universeel erkend en (juridisch) beschermd. Elke persoon kan op grond van zo'n inter- of supranationale verklaring bovendien vaak zijn subjectiviteit afdwingen. Het individu kan derhalve van een rechter, op grond van dergelijke teksten met universele draagwijdte, de erkenning van zijn subjectiviteit vragen, tegenover iedereen die hem in zijn individu-zijn miskent. (Rechts)subjectiviteit wordt zo een mensen-recht. Deze juridische bescherming van subjectiviteit geldt echter alleen in zoverre de diverse nationale staten deze subjectiviteit erkennen, in zoverre zij de "universele" verklaringen daaromtrent hebben ondertekend. Vandaar is (rechts)subjectiviteit veeleer een van politieke wil afhankelijk mensen-recht te noemen.

HOOFDSTUK II : PERSONALITEIT IN HISTORISCH PERSPECTIEF

1. Het begrip personaliteit

8. Alvorens een kort onderzoek te wijden aan het beginsel van personaliteit doorheen de geschiedenis van het recht, lijkt het interessant duidelijk aan te geven wat in deze (historische) context wordt bedoeld met de term "personaliteit".

9. In een algemene en algemeen-juridische context genomen, kan personaliteit worden gezien in de zin van subjectiviteit of individualiteit. Dat is precies de betekenis waarin het woord werd genomen in het vorige hoofdstuk. Hierna zal deze betekenis worden aangeduid als het personaliteitsbeginsel in "directe zin".

10. Soms wordt het principe van personaliteit ook tegengesteld aan het beginsel van territorialiteit. Dat betekent dan dat, in tegenstelling tot het territorialiteitsprincipe, rechtsregels worden toegepast volgens de aard van de rechtsonderhorige en niet volgens de plaats waar iemand zich bevindt. Op die manier doelt het personaliteitsbeginsel niet zozeer op een individu of zelfstandig subject, maar op een groep van subjecten, op een collectivum. Een historisch voorbeeld van het personaliteitsbeginsel in deze zin is te vinden in de vroege Middeleeuwen, namelijk vanaf de verwezenlijking van de Germaanse invloed in de geromaniseerde gebieden. Het Romeinse recht dat tot dan toe voor de hele bevolking gold, werd vanaf dan beperkt tot de oorspronkelijke Romeinse burgers (Romani). De Germaanse bevolking behield zijn eigen gewoonterecht. Waar men ook woonde, men leefde volgens het recht van de volksgroep waartoe men behoorde. Het is pas (veel) later dat het territorialiteitsprincipe ingang vond en men onder toepassing viel van het recht van de plaats waar men woonde.

Personaliteit in deze zin, stoelde derhalve op een grote solidariteit binnen de bevolkingsgroep. Het territorialiteitsbeginsel zou dan ook maar ingang vinden vanaf het moment dat dit samenhorigheidsgevoel binnen de stam of groep aan belang begon te verliezen. Peronaliteit in deze betekenis, zal hierna worden aangeduid als het personaliteitsbeginsel in "indirecte zin".

11. Men zou nu kunnen argumenteren dat deze twee betekennissen van personaliteit aan elkaar tegengesteld zijn. In het ene geval zou de benadering individueel-subjectief zijn, in het andere geval zou het eerder gaan om een collectieve benadering, gesteund op de aanwezigheid van bepaalde groepen in de samenleving.

Echter, dat vermeende groepsbelang komt uiteindelijk neer op de vraag : behoor ik tot die groep? Behoor ik tot die groep, dan zijn andere regels op mij van toepassing, dan zijn andere rechtscolleges voor mij bevoegd, dan wanneer ik niet tot die groep zou behoren. Maatschappelijke standen of klassen zijn immers niet meer dan een verzameling individuen die door het recht elk apart worden behandeld. Op die manier dekt het begrip personaliteit in de twee gevallen eigenlijk dezelfde lading : het is een individueel-subjectieve benadering van het recht, al moet men, om daartoe te komen, in het tweede geval een stap meer zetten (namelijk van de groep naar het individu).

12. Het zal de lezer dan ook opvallen dat de volgende historische uiteenzetting het personali-teitsbeginsel hanteert in die dubbele zin. Wel zal telkens voldoende duidelijk worden gemaakt in welke zin het personaliteitsbegrip wordt gehanteerd (directe of indirecte zin).

2. Personaliteit in het Romeinse recht

13. De personele aanpak van het recht laat zich reeds vermoeden in het Romeinse recht. Vanaf ca. 250 v.Chr. verloor Rome zijn landelijk karakter en werd het geleidelijk overspoeld door vreemdelingen (peregrini) die zich in de stad en haar omgeving vestigden en van het boerendorp een wereldcentrum maakten.

14. Het recht van die tijd zat hierdoor met een enorm probleem. Het rechtssysteem was nog te agrarisch om vlot op het nieuwe internationale handelskarakter van de stad Rome te kunnen inspelen. Men zocht naar oplossingen. Op zijn minst merkwaardig was de oplossing die men vond. In de plaats van het oude recht te moderniseren en aan te passen aan de nieuwe behoeften van de samenleving, maakte men een nieuw, een apart rechtssysteem voor de vreemdelingen. Derhalve kreeg men het oude recht dat van toepassing bleef op de traditionele burgers van Rome (jus civile of jus Quiritium) en anderzijds het nieuwe (en modernere) recht dat van toepassing was op de inwijkelingen, op de vreemdelingen (jus gentium). Welk van beide rechtssystemen van toepassing was, hing dus af van het feit of iemand Romeins burger of vreemdeling was.

15. Deze summa divisio werkte ook door in de rechtsbedeling. Romeinse burgers dienden zich te wenden tot een ambtenaar-magistraat die men praetor urbanus noemde. De vreemdelingen moesten een beroep doen op de zgn. praetor peregrinus. Welk van beide bevoegd was, hing dus niet af van de aard van het probleem of conflict (realiteitsprincipe), maar louter van de kwalificatie van het rechtssubject (personaliteitsprincipe). Ook de procesvorm verschilde aanvankelijk naargelang de aard van de persoon. Zo was het formalistische legis actio-proces de gebruikelijke procesvorm voor Romeinse burgers. Voor de vreemdelingen daarentegen bestond het vormvrije formula-proces.

Deze personele opvatting zou gedurende de volgende eeuwen blijven bestaan en, zoals hierboven aangeduid, ook in de huidige rechtsopvatting blijven doorleven.

3. Personaliteit in de Middeleeuwen

3.1. Middeleeuwen versus Verlichting

16. Hierboven (supra nr. 4) werd al aangegeven dat het personaliteitsbeginsel -hoe men het ook begrijpt- niet is ontstaan tijdens de Verlichting, maar al van (veel) vroeger bestaat. Het (voor-klassieke) Romeinse recht hanteerde reeds een personaliteitsbeginsel in indirecte zin. Zulks was ook het geval sinds de Germaanse beinvloeding van geromaniseerde gebieden (supra nr. 10).

Als we nu beweren dat het personaliteitsbeginsel al van voor de Verlichting in zwang was, dan doelen we daarmee echter eerder op het personaliteitsbeginsel in de directe zin. De zoektocht naar het ontstaan van de individueel-subjectieve benadering van het recht, brengt ons immers niet bij de Verlichting, maar bij de Middeleeuwen.

3.2. Individualiteit in de Middeleeuwen

17. VAN DEN AUWEELE beweert, ons inziens terecht, dat alleen de Renaissance van de XIIe eeuw een werkelijke breuklijn of cesuur in het Westerse beschavingsmodel heeft teweeggebracht. Het is volgens hem zeer de vraag of de Verlichting en de erbij aansluitende Franse Revolutie fundamenteel de specificiteit van het Westerse beschavingspatroon hebben gewijzigd.

Inderdaad, ook wat betreft de personele aanpak van het recht, moeten we ons verplaatsen naar de Renaissance van de XIIe eeuw om vast te stellen dat de individualiserende tendens in het recht daar volop tot uiting komt en later, voornamelijk in de Verlichting, (slechts) wordt "herontdekt" en gerevaloriseerd.

18. Het reveil van de XIIe eeuw vindt in essentie zijn oorsprong in de herontdekking van het Corpus Juris Civilis van Justinianus. Het is algemeen bekend welke indrukwekkende gevolgen het geherwaardeerde Corpus heeft gehad voor de maatschappij en voor het recht van die tijd. Zo ook ontstond een tendens naar humanisering van het strafrecht, ondermeer door meer aandacht te hebben voor de persoon van de dader, en door te reflecteren omtrent de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtsbedeling.

Echter, deze maatschappelijke, en in het bijzonder juridische, renaissance is niet alleen schatplichtig aan de herontdekking van het Corpus. De Kerk en het canonieke recht hebben in aanzienlijke mate bijgedragen tot de creatie van dit nieuwe discours over strafrecht en strafrechtsbedeling. Inderdaad, de humaniseringstendens van de XIIe eeuw werd gedragen door kerkelijke en canonieke ideeen en invloeden, en niet het minst op het domein van het strafrecht. De Kerk ging zich interesseren in de persoon van de zondaar-misdadiger, ging haar zielezorg in het bijzonder naar de individuele zondaar richten. VAN DEN AUWEELE beschrijft in zijn artikel uitgebreid welke factoren hieraan ten grondslag (kunnen) liggen. Een bijzonder interessant argument wordt gevonden in de -aanvankelijk kerkelijke- ontwikkeling van de universitas-idee. Deze ideologie refereert aan een ideaalbeeld van samenleving, gesteund op humane principes zoals gelijkheid, vrijheid, legaliteit en individualiteit. De ommekeer naar de humaniteit ligt dus zonder twijfel in de affirmatie van de individualiteit en de vrijmaking van het individu van het allescontrolerende en allesopvangende netwerk van personele afhankelijkheidsbanden, begonnen met de herontdekking van het Corpus, bijzonder beinvloed en versterkt door het canonieke recht en sindsdien enkel verfijnd en uitgewerkt.

19. Hierna zullen we bij middel van diverse voorbeelden, voornamelijk uit de sfeer van het strafrecht en het strafprocesrecht, proberen aan te tonen dat de eerder abstracte idee van individualiteit zoals deze hierboven werd ontwikkeld, ook effectief in de Middeleeuwse juridische praktijk aanwezig was (infra, titel 3.3).

3.3. Personaliteit in directe zin

20. Hierboven werd al aangegeven dat de personaliteit zich als paradigma van het moderne recht, op bijzondere wijze manifesteert in het huidige strafrecht (supra, nr. 2).

Ook het strafrecht van vroeger echter, reikt ons zulke subjectieve benadering aan. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat strafrecht aanvankelijk een materie uit het privaatrecht was. In de vroege Middeleeuwen bestond geen voldoende ontwikkeld overheidsapparaat om tegen criminele handelingen op te treden. Elke burger was op zichzelf aangewezen en een slachtoffer diende dan ook zelf te beslissen hoe hij zich tegenover de dader zou gedragen. Wie een zekere (fysieke) sterkte had, kon zich (laten) wreken, kon derhalve zelf een straf opleggen, kon en moest zelf tot actie overgaan. In deze tijd was een misdrijf dus in de eerste plaats een vergrijp tegen de rechten van een enkeling, waartegen de benadeelde naar eigen goeddunken kon opkomen. Elk misdrijf was dus een geval apart, want slechts de zaak van twee individuen : dader en slachtoffer.

Het is pas later, toen ongebreidelde wraakacties het sociale leven onmogelijk maakten, dat de overheid zich genoodzaakt zag om het bestaande straf-"recht" naar haar hand te zetten en een zekere uniformiteit in acht te nemen. Pas toen dit besef ontstond, kwam het strafrecht in de publiekrechtelijke sfeer terecht en ging de overheid ook zelf het initiatief nemen tot de vervolging van misdrijven ex officio (overgang van een accusatoir-privaat naar een inquisitoir-publiek strafrecht).

We mogen dus voorlopig concluderen dat het bestraffingsmechanisme van de vroege Middeleeuwen individueel-subjectief getint was (personaliteit in directe zin), gezien het strafrecht aanvankelijk een materie van privaatrecht was.

Niettemin moet deze individueel-subjectieve benadering van het private strafrecht worden gerelateerd aan een onderliggend motief. Reden waarom de bestraffing in die tijd nu net de prive-zaak was van individuen, was de alomtegenwoordigheid van personele afhankelijkheids-banden, vooral ten aanzien van de familie. De private strafrechtsbedeling was precies aanwezig in een periode van grote familiale solidariteit. Vandaar zou de enkeling een beroep kunnen doen op zijn familie om zich te (laten) wreken, om de (familie van) de dader een straf op te leggen. Privaat strafrecht was derhalve niet alleen de zaak van twee individuen, maar veeleer van twee families (personaliteit in indirecte zin).

21. Een beter voorbeeld van een individueel-subjectieve benadering van het Middeleeuwse recht, kan worden gevonden in de ontwikkeling van het strafrechtelijk schuldbegrip. Onder invloed van het gerecipieerde Romeinse recht en van het canonieke recht, ging men geleidelijk (vooral vanaf de XIVe eeuw) over naar een schuldstrafrecht, ter vervanging van het bestaande gevolgstrafrecht. Men zou voorbedachte rade en onachtzaamheid als strafrechtelijke schuldvormen invoeren, men zou diverse schuldopheffingsgronden uitwerken.

De straf die werd opgelegd, werd dan ook voornamelijk gecorreleerd aan de schuldmaat van de dader, en niet meer (of veel minder) aan de graad van de aangerichte schade (gevolgstrafrecht). Zo werd -evenmin als in het huidige recht- geen echte straf opgelegd indien de dader zich op het ogenblik van het misdrijf in staat van krankzinnigheid bevond. Was hij slechts verminderd toerekeningsvatbaar, dan werd hem een lichtere straf opgelegd.

22. Een ander goed voorbeeld van directe personaliteit van het Middeleeuwse recht, was de aandacht voor de persoon van de misdadiger. Onder invloed van het canonieke recht, ontstond de zgn. verbeteringsgedachte in het strafrecht. Men geloofde dat een misdadiger door het ondergaan van een straf, tot inkeer kon komen en daarna als een gelouterd en verbeterd mens opnieuw in de gemeenschap kon worden opgenomen. Om dit effect te bereiken, werden bij voorkeur vernederende straffen (publieke vernederingen of bedevaarten) of korte celstraffen opgelegd.

3.4. Personaliteit in indirecte zin

23. Hoewel de tendens naar individualiteit (personaliteit in directe zin) sterk doordrong in de conceptie van het recht in de Middeleeuwen, bleef ook de groepssolidariteit (personaliteit in indirecte zin) in deze periode van belang. Zij zou in belangrijke mate mee het uitzicht van de gerechtelijke organisatie van die tijd bepalen.

24. Immers, kenmerkend (ook) voor de Middeleeuwen, was de uitgebreide classificatie van de samenleving. In de praktijk bestonden drie sociale standen : de adel, de clerus en de overige burgers, een indeling die tot op het einde van het Ancien Regime bewaard zou blijven. Vanaf de vroege Middeleeuwen waren er bovendien vier rechtsstanden. De creatie van de rechtsstanden kaderde in een personaliteitsopvatting (in indirecte zin). Mensen werden in verschillende juridische categorieen ingedeeld en deze indeling bepaalde in vele gevallen het toepasselijke recht en de bevoegde rechtbanken. Deze stratificatie was ingegeven door een basisbeginsel uit deze periode, nl. het judicium parium-principe. Een judicium parium was een (rechts)oordeel van rechtsgelijken door rechtsgelijken. Concreet betekende dit bijvoorbeeld dat een baron moest worden berecht door een adellijke rechtbank en een bisschop door een kerkelijke rechtbank.

25. Schematisch voorgesteld, zag deze stratificatie er in het algemeen uit als volgt :

Rechtsstand

Geestelijkheid
Adel
Vrijen (derde stand)
Onvrijen (laten & lijfeigenen)
Kanoniek recht
Leenrecht
Stadsrecht / Landrecht
Latenrecht
Officialiteiten
Leenhoven
Kasselrijschepenbanken
Heerlijke schepenbanken

To The Top


© 2001 Lex Fori International Lawyers